HamedIk had veel vragen over de islam

Ik ben Hamed, opgegroeid in het Midden-Oosten als oudste zoon van het gezin. Door de scheiding van mijn ouders had ik geen goede jeugd. Ik woonde steeds in andere huizen van verschillende familieleden. Er was geen stabiliteit en ik had geen goede hechting aan mijn ouders. Door die nare jeugd kon ik me niet concentreren op school. Mijn familie zag me als een probleemkind. Mijn familieleden zijn behoudende moslims. Ik groeide op met het besef dat de Koran het boek is dat ons verlicht en kracht geeft, maar ik ervaarde geen verlichting in mijn leven en ik merkte dat ik niet meer was dan een slaaf was van Allah, dat ik goede dingen moest doen om het paradijs binnen te gaan. Ik had veel vragen over de islam. Ik wilde vragen stellen over andere geloven, maar dat was taboe of mensen wisten er niets van. Ik hoorde alleen maar negatieve verhalen over het ‘christelijke‘ westen. Ik had ook vragen aan God: Wat heb ik gedaan dat ik een rotjeugd heb gekregen? Waarom was er voor mij geen stabiel gezin? Ik kreeg geen antwoorden.

Wat maakt dat jullie zo goed en aardig zijn?

Toen ik een jaar of vijftien was stopte ik met school en ging baantjes zoeken. Omdat ik nu voor mezelf kon zorgen kreeg ik toch wat respect van mijn familie. Ik had de kans om naar Nederland te komen op zoek naar een betere toekomst. Daar aangekomen leerde ik christenen kennen. Door het beeld dat ik van hen had, had ik een hekel aan hen. Ik ging zonder respect met ze om, maar ik kreeg respect van hen terug. ‘Wat maakt dat jullie zo goed en aardig zijn?’ vroeg ik me af. Uit eigen initiatief begon ik ook de kerk te bezoeken. Niet uit godsdienstige interesse, maar om erachter te komen wat daar leeft. Het deed steeds wel iets met me om in de kerk te komen, maar dat kon ik niet verklaren.

Toen ik alweer een aantal jaren niet meer in de kerk was gekomen zag ik op de markt een Bijbelkraam. Ik kwam in gesprek met die vrouw en vroeg spontaan of ik mee mocht naar de kerk. Ik begon elke week te gaan en na een aantal maanden werd het serieus. De liederen zong ik graag mee, hoewel ik dat als moslim eigenlijk niet mocht. Later begreep ik dat het de Heilige Geest was die mij leidde om de waarheid te zoeken. Ik ervaarde er rust en acceptatie. Het verhaal van Jezus in de Bijbel overtuigde me: Wat Hij ons aanbiedt, dat is wat de mens nodig heeft. Ik zag dat de Bijbel een boek was van rust, vrede, liefde en respect.

Ik koos ervoor mijn vragen los te laten en te geloven wat mijn hart zei.

Het probleem was dat ik niet wist wat ik moest doen met mijn oude geloof. Ik was op zoek naar evenwicht. Op vrijdag ging ik naar de moskee, op zaterdag naar de discotheek, en op zondag naar de kerk. Toen besloot ik te stoppen met de moskee, omdat de imam daar zich tégen andere mensen uitsprak: tegen joden, atheïsten, enz. In de kerk sprak de predikant zich uit vóór andere mensen, zelfs voor vijanden. Aan de vrouw die me de weg had gewezen naar de kerk vroeg ik wat ik moest doen met de islam. Ik kon niet verder komen door de vragen die ik nog had over het geloof. Ze vroeg me de vragen los te laten en ze als het ware in een doos te stoppen. Later zouden die vragen dan wel duidelijk worden. Het werkte. Ik koos ervoor mijn vragen los te laten en te geloven wat mijn hart zei. Zo ben ik tot geloof gekomen.

God heeft de haat en bitterheid in mij veranderd

Mijn leven is totaal veranderd. Ik was eerst vol bitterheid, haat en woede. Ik was kwaad op mijn ouders om hun scheiding. Mijn relatie met hen kon me niets schelen. Maar toen ik tot geloof kwam kon ik ze liefhebben. God heeft de haat en bitterheid in mij veranderd. Zes maanden nadat ik tot geloof was gekomen ging ik terug naar mijn land omdat ik het evangelie wilde delen met mijn ouders.

Ik ben nu niet meer als een slaaf van God maar als een vriend. Jezus zegt in Johannes 15:15: ‘Ik noem jullie geen slaven meer, want een slaaf weet niet wat zijn meester doet; vrienden noem ik jullie!’ God noemt ons zelfs zijn kinderen. Dat is iets wat je als moslim niet kan geloven. Ik heb pas geleden mijn eerste kind gekregen. Tot dat moment gelóófde ik wel dat ik Gods kind was, maar nu – als ik mijn eigen kind in mijn armen houd – ervaar ik wat de liefde van een vader voor zijn kind is. Wat een liefde heeft God voor ons!