hamidIk ben geboren uit een Marokkaanse vader en een Nederlandse moeder. Zij zijn tot op heden getrouwd en beide nog gelovig. Mijn vader, een soennitisch moslim, heeft haar als christen altijd vrij gelaten in haar geloof. Ook mijn familie in Marokko verwelkomde mijn moeder als een zus en dochter. Door verscheidene incidenten rondom de kerkelijke gemeenschap verloor mijn moeder echter contact met de kerk.

Als kind ben ik godvrezend opgevoed. Ondanks hun geloofsverschil, hebben mijn ouders mij godsbesef meegegeven. Ik had in mijn jeugd zoveel ontzag voor God dat ik Zijn Naam haast niet hardop durfde uit te spreken. Er werd echter nooit over Allah, Mohammed of Jezus gesproken aan tafel. Inhoudelijke gesprekken over geloof hadden wij thuis niet. God werd er alleen bijgehaald wanneer ik werd terechtgewezen. Er is maar één God en Hij is alwetend. Hij hoort en ziet alles. Voor Hem kun je niets verbergen. Dat heeft veel indruk op me gemaakt.

Net als iemand van adel adellijk bloed heeft, was ik een moslim met islamitisch bloed.

Hoewel er geen inhoudelijke gesprekken over geloof werden gevoerd thuis kreeg ik wel de gebruikelijke islamitische gewoontes mee in mijn opvoeding, zoals bijvoorbeeld de besnijdenis, het niet eten van varkensvlees, de ramadan tot de ‘alhamdulillah’ (dank aan God) bij iedere dankzegging. Ook werd er bij iedere geboorte in ons gezin een schaap geslacht door mijn familie in Marokko. Mijn vader heeft mij geleerd dat je moslim bent in je hart, praktiserend of niet. Ik was moslim omdat ik zo geboren ben. Net als iemand van adel adellijk bloed heeft, was ik een moslim met islamitisch bloed.

Op de basisschool en zondagsschool hoorde ik voor het eerst verhalen over Jezus maar het drong nooit tot me door wie Hij nu werkelijk was. Een bijzonder Iemand. Ik was nog te jong om het te begrijpen. Ondanks dit heb ik in mijn jeugd altijd al een gevoel gehad dat de Bijbel een boek was dat ik zou moeten lezen. Er zat meer achter die verhalen. Een Kracht, een Rust. Telkens weer als ik een bijbel tegenkwam dacht ik echter ‘Ik weet het… Maar nu nog even niet…’.

Op mijn achttiende kreeg ik last van hevige angstaanvallen. Ik had geen flauw idee waar die vandaan kwamen of wat ik er mee moest, wat me nóg meer angst aanjaagde. Het voelde alsof er iets ergs stond te gebeuren. Na de tweede aanval een week later vertelde ik het aan mijn moeder die mij adviseerde tot God te bidden. Ze bad voor me. Ik vond het ongemakkelijk. Het was op dat moment namelijk het laatste wat ik wilde horen. Het was me zolang gelukt alles wat met God te maken had te negeren, maar nu kon ik geen kant op, Hij leek de Enige te zijn die mij kon helpen. Toch heb ik eerst mijn best gedaan mezelf te helpen, zonder me tot God te hoeven wenden. Ik ging bijvoorbeeld psychologieboeken lezen, aardiger zijn naar mensen, positief leren denken, kortom mijn leven proberen te verbeteren. Aanvankelijk dacht ik dat het hielp. ‘Zou ik me gewoon rot voelen omdat ik niet goed leef?’ Maar op lange termijn hielp ‘self help’ weinig, het donkere gevoel bleef terugkeren. Maar toen gebeurde er iets opmerkelijks: God gebruikte het om tot me te spreken. Terwijl ik mij in heel donkere gemoedstoestanden bevond, heb ik Zijn licht ervaren. Er kwamen vreugdemomenten, als een warm, verlichtend gevoel binnen in mij. Soms duurde het maar enkele seconden. Ik wist, er is Iemand die mij ziet en weet waar ik doorheen ga. God bezorgde mij die angst niet, maar gebruikte het ten goede.

Langzaam begon ik God te herkennen in mijn leven. Hij had al eerder tot me gesproken zonder dat ik er erg in had. Op de avond dat ik mijn moeder over mijn angsten vertelde had ik een liedje op repeat staan dat me op een of andere manier veel troost gaf. Pas later realiseerde ik me dat de tekst van het liedje precies op mijn situatie sloeg die avond: ‘I found you, sick and twisted, face down, I faced it, I missed you,… father I get scared, I’m so glad I finally found you…’. Die avond werd ik me bewust van Gods aanwezigheid in mijn leven. God sprak nog op vele andere manieren tot me, door de boeken die ik las, door mensen die ik tegenkwam en zelfs door dromen. Het was alsof God me niet met rust wilde laten. God gaf niet zomaar op. Ik ging op mijn knieën en gaf me over aan Hem. Ik bad tot God of Hij me wilde helpen. Ik voelde een diepe innerlijke rust. De rust die ik eerder gevoeld had als kind.

Er ging een lange tijd voorbij voordat ik begreep wie Jezus nu werkelijk was en wat Hij voor mij aan het kruis gedaan heeft. Op mijn moeder na kende ik namelijk geen christenen, waardoor ik als gelovige lang in isolement heb geleefd. Dit zorgde voor een trage geloofsgroei.

God zei: ‘Ik ben in jou, Ik ben met jou. Ik ben het Licht in jouw leven.’

Op mijn tweeëntwintigste ging ik wederom op mijn knieën tot God. Ik voelde me alleen. Alsof God er niet meer voor me was. Ik bad of Hij Zich wilde openbaren in mijn leven. Twee uur nadat ik in slaap was gevallen werd ik wakker door een warm gevoel in mijn borst. Ik lag op mijn rug met mijn handen samengevouwen. Er kwam een fel licht uit mijn borst. Ik schrok er van. De ‘vloeibare warmte’ in mijn borst voelde op den duur zo intens dat ik het niet meer aankon. Ik wilde opstaan maar ik kon me niet bewegen. Ook mijn handen kreeg ik niet van mijn borst, als een magneet vast dat ze zaten. Mijn broertje sliep in de kamer naast mij. De deur stond open. Ik probeerde hem te roepen maar er kwam geen geluid uit mijn mond. Dit duurde bij elkaar ongeveer één minuut. Plotseling stopte het. Ik kwam overeind en kneep in mijn zij. Ik was wakker. Zou het een droom geweest zijn? Vast wel. Ik ging terug liggen, met mijn handen over elkaar. Maar opnieuw overkwam me het, terwijl ik klaar wakker was. Nu wist ik dat het geen droom was. De volgende morgen heb ik het mijn moeder verteld maar die kon het moeilijk geloven, daarom heb ik het lang voor mezelf gehouden. Jaren later hoorde ik van soortgelijke verhalen van mensen die Jezus in hun leven hebben aangenomen. Het was een duidelijk antwoord op mijn gebed. God zei: ‘Ik ben in jou, Ik ben met jou. Ik ben het Licht in jouw leven.’

God liet zien dat Hij van mij houdt en het beste met mij voor heeft, zelfs wanneer ik even niets van Hem wil weten.

Dit gaf me hoop. Hij was er voor me. Ik ging God meer toelaten in mijn leven. Daardoor werd ik me meer bewust van mijn zondige natuur. Er volgde een periode van vallen en opstaan. Terugkijkende, zie ik dat ik al die tijd met één been in mijn oude leven bleef staan omdat ik de stap tot Jezus niet durfde te nemen. Ik wist in mijn hart dat ik zou gaan veranderen. Ik zou zoveel moeten loslaten in mijn leven en dat vond ik moeilijk. Ook schaamde ik me voor alles wat ik verborgen dacht te houden voor God. Gedachtes, hartstochten, verslavingen. Maar God liet heel duidelijk zien dat Hij van mij houdt en het beste met mij voor heeft en dat ik op Hem kan vertrouwen, ondanks al mijn zondes en tekortkomingen. Hij wilde me hier juist van reinigen, maar dat kon alleen als ik Hem toeliet in mijn hart.

In deze periode leerde ik iemand kennen die mij voor het eerst meenam naar een kerk. Daar werd ik warm ontvangen. Het deed me denken aan wat mijn moeder mij toen ik klein was eens vertelde. Ze zei dat je echte christenen herkent aan hun rustgevende aanwezigheid. Ze stralen onvoorwaardelijke liefde uit. Op mijn zesentwintigste, ’s morgens na een late nacht uitgaan, kwam ik op de rand van mijn bed tot bezinning. Ik hoorde luid en duidelijk Gods stem in mijn hart: ‘Laat je dopen.’ Ik had nog nooit eerder serieus over de doop nagedacht, het hoefde allemaal niet voor mij, maar nu ineens wist ik het. Als ik mij laat dopen, zeg ik ‘Ja’ tegen God en neem ik afscheid van mijn oude levenspatroon. ‘DAT WIL IK!’, dacht ik. Drie maanden later ben ik gedoopt. Een mijlpaal in mijn leven. Ik kreeg zoveel innerlijke rust in mijn leven en ik wist dat God al mijn schuld en al mijn zonden in en door Jezus vergeven heeft. Ik kon weer opnieuw beginnen. Dit keer met Hem als middelpunt in mijn leven. Jezus is nu mijn Koning en mijn Verlosser. Meer heb ik niet nodig. De doop was ook een getuigenis naar mijn omgeving, dat ik nu volgeling van Jezus ben en mijn oude leven achter me laat. Jezus gaf me nieuwe verlangens, zoals naar de kerk gaan, voor mijn naasten te bidden en Zijn Woord te verkondigen. Vroeger had ik altijd het idee dat je goed moest doen om God te behagen. Nu weet ik dat andersom de waarheid is. Door Gods liefde in mijn hart wil ik Zijn wil doen, uit dankbaarheid.

Twee jaar eerder had God al het verlangen in mijn hart gelegd te getuigen van wat Jezus in mijn leven betekent heeft. Mensen overtuigen, kan echter alleen de Heer. Na enkele bezoekjes aan mijn familie in Marokko, gesprekken met vrienden en het bestuderen van de Koran en Hadith realiseerde ik me dat de meeste moslims niet de Jezus uit de Bijbel kennen. Ook bestaan er veel misvattingen over christenen en hun geloof. Ik voel me geroepen een ambassadeur van Christus te zijn. Moslims zijn mijn mensen, ondanks het geloofsverschil. Ik hou van ze. Het is bijzonder dat ik door Jezus trots ben op mijn afkomst, terwijl ik me er vroeger wel eens voor schaamde. Door Jezus stel ik me nu meer open voor mijn Marokkaanse achtergrond.

Een half jaar voor mijn doop heb ik mijn vader pas verteld over mijn bekering. Natuurlijk kwam dat hard aan voor hem. Voor een moslimvader is het dan alsof je uit de familie stapt. Maar ik heb Jezus lief boven mijn eigen vader en moeder. En op een of andere manier kan ik mijn ouders hierdoor nóg meer liefhebben dan voorheen. Gelukkig zou ik altijd zijn zoon blijven en is onze relatie nu zelfs beter. Mijn familie in Marokko weet nog van niets. Al hebben zij mij al enkele malen verteld dat ik ‘anders’ ben dan mijn broers, dat ik rust uitstraal. In een gesprek over de Koran en de Injil (Evangelie uit de Bijbel) heb ik enkele familieleden laten weten dat de Injil een grote indruk op me heeft gemaakt en mijn hart heeft veranderd. De rust die ik ervaar heb ik aan God te danken. Jezus is het Evangelie, het Goede Nieuws.