khashayarIn mijn cultuur is het heel gewoon dat jongens vechten. Voor Koerden is het heel belangrijk om te laten zien wat je kunt. Nadat ik al diverse vechtsporten had geprobeerd, ontdekte ik schermen. Ik vond het leuk en bleek er goed in te zijn. Op mijn zestiende zat ik al bij de selectie van het juniorenteam. Ik wilde de beste worden en trainde hard. Toen ik negentien was verliet ik mijn woonplaats Kermanshah om in Isfahan informatica te gaan studeren. Doordat de bescherming van mijn gezin nu wegviel en ik verkeerde vrienden kreeg, kwam ik in aanraking met alcohol en drugs.

Intussen bleef ik verder trainen en in 1996 mocht ik meedoen met de Olympische Spelen voor studenten. Ik kwam op tv en mensen begonnen me te herkennen. Ik was trots op wat ik bereikt had en voelde me alsof ik echt iemand was. In 1997 deed ik mee aan de voorrondes voor de Olympische Spelen in Zuid-Afrika. De eerste ronde won ik, maar in de tweede ronde moest ik tegen Israël. Van de Iraanse regering mocht ik niet tegen Israël opkomen, dus ik moest van de loper af. Dat was een enorme domper. Ik zag dit als een levensgroot struikelblok voor de Olympische Spelen, het ultieme doel dat ik wilde bereiken. Toen heb ik een grote misser begaan. Ik gaf het op. Ik stopte met trainen en stortte me nu helemaal in drugs en alcohol en verschillende relaties om mijn teleurstelling te vergeten. Toen mijn trainer ook nog emigreerde ging het verder bergafwaarts met mij. Mijn vriendin Delaram die ik in Isfahan had leren kennen, moest het land verlaten en voegde zich bij haar moeder die in Nederland verbleef. Een paar weken later liet ze me weten dat ze zwanger van mij was. Uit pure wanhoop zocht ik toch de schermmat weer op, ook al was ik inmiddels verslaafd aan heroïne. Ik weet nog dat ik het uitriep naar de god van de islam: “Ik wil niet meer leven! Maak me vrij, of maak me dood!”

De volgende dag werd ik door de federatie gebeld. Ze vroegen of ik deel wilde nemen aan een internationale wedstrijd, alhoewel ik al anderhalf jaar geen wedstrijden had gedaan. Ik besloot mee te doen maar verscheen zwaar onder invloed van drugs op de loper. Toch kwam ik succesvol door de eerste ronde heen. De bondscoach van Rusland had de partij gezien en nodigde mij uit om in zijn selectie te komen. Ik zou dan een jaar lang exclusief getraind worden in een kamp. Ondanks mijn verslaving ging ik op de uitnodiging in, maar besloot wel open kaart te spelen. “Ik kan wel schermen, maar ik heb drugs nodig”, vertelde ik tegen de assistent van de bondscoach. Die schakelde iemand in die mij hielp om in twee weken tijd een speciaal afkickprogramma te doorlopen. Pas veel later, nadat ik tot Jezus gekomen was, besefte ik dat deze man een engel van God is geweest. Maar na een tijdje speelde mijn trots weer op en begon ik mezelf wijs te maken dat ik uit eigen kracht van mijn verslaving was afgekomen.

Ik was er niet zeker van of Jezus wel de weg naar God was.

Tijdens het selectiekamp zouden we ook naar het buitenland gaan. Ik hoopte dat ik dan weg kon lopen om naar Delaram te gaan, die in Nederland was. We hadden nog steeds contact met elkaar en ik wilde mijn kind graag zien. Pas na anderhalf jaar kreeg ik de kans om naar Oostenrijk te gaan voor een kampioenschap. Daar ben ik ‘s nachts uit mijn hotel weggevlucht. In 2002 zag ik eindelijk Delaram weer! Nu waren we dan wel bij elkaar, maar de onzekerheid bleef. Er zat niets anders voor ons op dan illegaal in Nederland te verblijven. We hadden geen geld, geen papieren, geen werk. Ik gaf zo nu en dan een schermles, maar dat bood ons geen enkele zekerheid. Ik was ook weer begonnen met drugs, alcohol en sigaren. In 2005 ontmoette ik iemand die me op Jezus wees. “Jezus kan jou redden en je situatie veranderen”, zei hij en bood aan voor mij te bidden. “Doe maar, bid maar”, zei ik. Hij bad voor me maar daarna werd ik heel ziek. Ik kon niet naar de dokter want ik had geen verzekering. Na een tijdje zag ik deze man weer. Hij zei dat hij graag voor mijn werksituatie wilde bidden en ik stemde toe, maar ook daarna ging het alleen maar slechter met me na zijn gebed. We werden ons huis uitgezet.

Een periode volgde waarin we in korte tijd zeven keer verhuisd zijn. Een paar weken woonden we hier, een paar weken daar. Daarna zag ik de man weer die voor me gebeden had en dit keer gaf hij me een film over het leven van Jezus. God trok aan mij en was bezig om mijn eigen kracht af te breken. Op een avond hebben Delaram en ik samen de film bekeken. Aan het einde van de film werd een reddingsgebed gebeden. Ik voelde me hulpeloos en op mijn knieën bad ik mee. Daarna voelde ik mijn knieën slap worden. Ik probeerde op te staan maar dat lukt niet. Ik had totaal geen kracht meer in mijn benen. Ik liet niks merken aan Delaram, die op een gegeven moment het licht uitdeed en naar bed ging. Nog een hele tijd heb ik op de grond gelegen. Uiteindelijk kon ik opstaan om naar bed te gaan.

De volgende dag voelde ik me een stuk lichter en vroeg me nieuwsgierig af wat er die vorige avond gebeurd was. Ik probeerde de Bijbel te lezen, maar een heleboel begreep ik niet. Gelukkig kon ik dan terecht bij een gezin dat we kenden uit de kerk. Soms belde ik wel drie keer per dag en dan legden zij me uit wat ik niet snapte. Ik was hongerig en wilde meer van God gaan merken in mijn leven. Toch was ik er niet zeker van of Jezus wel de weg naar God was. “God, ik ben niet zeker van Jezus. Als Jezus geen God is, dan zal ik teruggaan naar Allah. Moge Allah me dan vergeven. Ik wil de waarheid vinden”, bad ik tot God.

God, ik was trots en had het niet eens in de gaten.

Het was een hele strijd voor mij om los te komen van de wereld. Mijn trots zat me verschrikkelijk in de weg. In Iran was ik beroemd, iedereen kende mij. Ik maakte deel uit van de beste selectie en daardoor was ik iemand. In Nederland kende niemand mij en had ik geen roem. Ik heb een tijd nodig gehad om echt voor God te kiezen en niet meer voor de wereld. Om een stevig fundament te krijgen, volgde ik in de kerk een discipelschapscursus waar ik veel aan gehad heb. Zonder goed fundament val je namelijk gemakkelijk terug. Door de cursus kwam er echt een verandering in mijn denkpatronen en in mijn hart. Ik moest los komen van allerlei ongoddelijke relaties die ik in Iran had gehad en ik moest af van mijn trots. Naarmate ik groeide in mijn relatie met God, begon ik te beseffen dat alle glorie van God is en dat hij mij verheft als ik hem trouw blijf. God wederstaat de hoogmoedigen maar de nederigen geeft hij genade: dat was voor mij een grote les. Op een dag was ik zover om te kunnen zeggen: “God, ik was trots en had het niet eens in de gaten. Nu zie ik dat ik eigenlijk niks ben, maar in u ben ik wel wat waard.”

Inmiddels heb ik ook een droom gekregen om jonge schermers op een hoger niveau te helpen. Vroeger was het mijn droom om zelf wereldkampioen te worden, maar nu heb ik die droom voor mijn leerlingen. Ik ben niet geroepen om kampioen te worden, maar om van anderen kampioenen te maken. Mijn drang om de beste te zijn is veranderd in een drive om de wereld te laten zien wie Jezus is en anderen verder te helpen komen in hun relatie met Jezus. De opdracht om erop uit te gaan en discipelen te maken is misschien wel de belangrijkste missie die je kunt hebben. Want alleen zo kan het koninkrijk van God zich uitbreiden en kan het werk van God doorgaan.