leilaIk ben Leila, ik ben dertig jaar en ik kwam op mijn vierentwintigste tot geloof. Mijn vader komt uit Marokko (Nador), mijn moeder komt uit Indonesië en ik ben in Nederland geboren. Ik was twee toen mijn ouders gingen scheiden en vier toen ik naar een kindertehuis ging. Vanaf mijn zesde ging ik bij een Nederlands pleeggezin wonen. In dat pleeggezin ging ik naar een christelijke basisschool waar ik de verhalen over Jezus hoorde, en met kerst gingen we met school naar de kerk. Ik weet nog dat ik de verhalen over de profeten en die van Jezus helemaal geweldig vond. In dat pleeggezin werd ik al vrijwel vanaf het begin regelmatig meerdere keren per week mishandeld, waardoor ik al op jonge leeftijd een einde aan mijn leven probeerde te maken en regelmatig in mijn armen sneed. Dat werkte namelijk verdovend voor de pijn en ik dacht: Als je me kapot wil maken – dat kan ik dat zelf nog beter.

Mijn moeder is bezeten en kon daardoor niet voor mij zorgen en dat is ook de reden dat ik bij dit pleeggezin terecht kwam. Mijn moeder is Indonesisch en er waren occulte machten in haar leven die overgegaan waren op mijn leven waardoor ik als zesjarige al geesten zag. Omdat ik daar bang voor was begon ik Jezus aan te roepen en die gaf mij rust op dat moment. Ik riep Jezus aan omdat ik over hem hoorde op school. Later, zo rond een jaar of tien, begon ik zelf met glaasje draaien en pendelen. Ik had ook last van dromen die uitkwamen..

Toen ik een jaar of twaalf was wilde ik naar de kerk, maar thuis werd het geloof bespottelijk gemaakt. We moesten wel bidden voor het eten maar als ik zelf bad werd ik daar mee bespot. Ook mocht ik niet naar de kerk. Niet veel later las ik een artikel over moslims dat zij geen varkensvlees mochten eten. Ik kwam tot het besef dat ik eigenlijk een moslim was, waarna ik stopte met het eten van varkensvlees.

Vanaf de middelbare school begon ik steeds minder te geloven. Ik was zwaar depressief en dacht er alleen maar aan hoe ik een einde aan mijn leven zou kunnen maken. Vanwege de vele mishandelingen begon ik ook veel te spijbelen. Rond mijn veertiende begon ik met sigaretten roken en vanaf mijn vijftiende, zestiende begon ik met blowen, veel alcohol drinken en op straat rondhangen – met name ‘s nachts wanneer ik niet kon slapen. Rond mijn zestiende ging ik op zoek naar mijn vader en heb hem gevonden. Vanaf mijn zeventiende zat ik hele dagen in coffeeshops. Ik deed er alles aan om van de pijn af te komen. Toen ik achttien was begon ik met speed, ecstasy en daarna coke. Toen ik negentien à twintig jaar was had ik echt weer een verlangen om God te dienen, maar ik kon niet zonder de drugs. Hierdoor ging ik aan de antidepressiva, wat ik uiteindelijk op dezelfde manier als mijn drugs gebruikte en er steeds meer van nam. De gedachte om m’n leven te beëindigen bleef aanwezig.

Op een gegeven moment bad ik tot Jezus én Allah.

Toen werd ik moslim, niet omdat dit moest van mijn vader of mijn vriend maar puur uit verlangen om God te kennen. Ik begon met steeds meer moslims om te gaan en woonde ook samen met een moslim. In het begin ging ik naar koranles, daarna ging ik een hoofddoek dragen, bidden en naar de moskee. Zo’n twee jaar lang ging alles redelijk goed, maar toen werd ik weer depressief, vergat mijn gebeden in de moskee en begon vele twijfels te krijgen aan het geloof. Vooral omdat ik zo mijn best deed maar niet zeker wist of ik naar de hemel zou gaan. Het was ook in die tijd dat ik weer aan Jezus begon te denken, wat ik niet wilde want ik was een moslim. Maar op een gegeven moment bad ik tot Jezus én Allah. Ik dacht: Dit kan zo niet langer, en toen stopte ik met de islam. Ik was het zat. Ik merkte namelijk ook een verwijdering tussen mijn vriend en mij omdat ik veel serieuzer bezig was met het geloof dan hij. Dus ik deed mijn hoofddoek af, ging niet meer naar de moskee en bad vrijwel niet meer.

Ondertussen zat ik ook vast aan het occulte. Tevergeefs probeerde ik te stoppen. Het kwam elk jaar weer terug en dan begon ik weer met glaasje draaien, pendelen en tarotkaarten lezen, waardoor er spullen in mijn huis naar beneden vielen en ik geesten zag en de dekens van me werden afgetrokken als ik lag te slapen. Toen ik 22, 23 was ging het steeds slechter. Ik was weer begonnen met drugs. Door de drugs voelde ik me goed, maar als het uitgewerkt was dan was ik zo depressief dat ik alleen nog maar kon denken aan een einde aan mijn leven te maken. Toen kwam ik op het punt dat ik op mijn knieën ging en tegen God zei: “Laat me maar zien wat de waarheid is (want het was voor mij of islam of het christendom) of ik maak een einde aan mijn leven zodat je me niet meer wakker of levend kunt maken.”

Wees niet bang voor diegenen die je lichaam kunnen doden maar wees bang voor degenen die je ziel kunnen doden.

Een paar dagen later kreeg ik een flyer door de brievenbus waar op stond: ‘Wicca, magie en hekserij’. Ik had het gevoel dat ze me bij die bijeenkomst konden helpen om van het glaasje draaien en pendelen enzo af te komen. Dus ik ging daar heen. Ze vertelden daar een verhaal over een vrouw die een verbond had gesloten met de satan en door het vuur was gelopen en in dat vuur satan ontmoette en er heelhuids uitkwam. Later had ze Jezus aangenomen in haar leven, ze was christen geworden. Dat verhaal vond ik echt interessant. Toen begonnen ze over Jezus te vertellen en ik weet niet waarom maar dat vond ik saai dus ik luisterde niet meer, totdat ik het verhaal van Petrus hoorde die in de gevangenis zat en werd bevrijd door engelen. Na afloop bleef ik praten met een pastors-echtpaar tot zo rond een uur of twaalf. Dat was ook het uur dat het vanaf kinds af aan begon te spoken. En toen nam ik Jezus aan. Ik had echt geen idee wat het inhield maar ik deed het, ik moest zelfs lachen van de zenuwen tijdens het gebed. Verandering in mijn leven begon al snel. Ik heb alle boeken over magie teruggebracht naar de bieb en al mijn antidepressiva de prullenbak ingegooid, alleen niet de dingen van de islam zoals de koran, een koranschilderij en amulet – die had ik nog bewaard. Ik was drie maanden onwijs gelukkig. Iedereen vroeg ook wat ik op had, maar ik zei: “Niets, ik ben nuchter.” Ik was zo omringd door Gods aanwezigheid dat ik letterlijk liep te huppelen en zingen van blijdschap. Zo had ik me mijn hele leven nog nooit gevoeld tenzij ik drugs op had, maar dat was tijdelijk, met bijwerkingen en die had ik nu niet want de volgende dag was ik nog steeds blij.

In die tijd zat ik nog met mijn vriend. Ik wou met hem trouwen, maar hij was moslim. Na drie maanden stond ik thuis in de keuken overdag en ik keek omhoog en zei: “God, ik ga weer moslim worden” – want ik dacht: nou gaat het goed, ik gebruik geen drugs en alcohol meer, ik voel me gelukkig, dus nu kan ik een hele goede moslim zijn. Maar die nacht kreeg ik een droom – het was meer dan een droom. Ik was helemaal omringd door licht en zag mijn pleeggezin, maar ik was niet bang en voelde enorm veel liefde. Toen hoorde ik een stem die zei: “Wees niet bang voor diegenen die je lichaam kunnen doden maar wees bang voor degenen die je ziel kunnen doden”, en: “Vanaf nu zul je geen nachtmerries meer hebben” (ik had mijn hele leven al nachtmerries vanwege de mishandelingen in het pleeggezin). Ik werd wakker en was eerst sceptisch maar merkte daarna dat het echt was.

Ik ben nu 6 jaar een christen. Ik heb vanaf die tijd geen nachtmerries meer gehad en ben nog steeds vrij van de drugs en ik weet nu zeker dat ik naar de hemel ga.