nasiraWaarom ik ben gevlucht

Mijn moeder was zeven toen ze trouwde en veertien toen ik geboren werd. Mijn vader was ook nog erg jong. Mijn moeder heeft er wel voor gezorgd dat ik naar school kon. Na mij kwamen er nog zes dochters en twee zonen. Moeder heeft ons allemaal aangemoedigd om te leren. Zij naaide dag en nacht om geld te verdienen. Tot mijn twaalfde ben ik naar school geweest, wat uitzonderlijk is in Afghanistan, en daarna heb ik via een aantal cursussen geleerd hoe je weduwen kunt helpen. Al gauw werd ik een van de leiders van de vrouwenbeweging. We moedigden vrouwen aan om te leren en buitenshuis te werken; vrouwen hebben immers recht op een leven en zijn niet minder dan mannen. Vanaf mijn zestiende tot mijn zesentwintigste heb ik me voor dit doel ingezet.

Nadat de Moedjahedien aan de macht gekomen was, moest ik stoppen met mijn werk. Ze kenden mij en wisten wat ik gedaan had, dus ik was niet langer veilig. Ik leefde voortdurend met een onbestemd gevoel van gevaar. En waar ik altijd bang voor ben geweest, is op een nacht ook gebeurd.

De vreselijkste nacht

Mijn man deed open toen de Moedjahedien bij ons voor de deur stonden, maar ze stonden erop om mij te spreken. Ik was acht maanden zwanger en voelde me onaantastbaar. Zodra ze met mij alleen waren, hebben ze me aangevallen. Ze wilden me laten zien dat een vrouw geen kracht had en deden alles met me wat je maar kunt bedenken. Het was de vreselijkste nacht van mijn leven. Op een bepaald moment kon ik nog maar aan een ding denken: hoe overleef ik dit?

Als deze Jezus zo snel gebeden beantwoordt, dan wil ik hem volgen!

‘Ik wil deze Jezus weleens uitproberen’

Wat was ik blij dat we in een veilig land waren gekomen. Nu zou er eindelijk een eind komen aan ons lijden! We werden naar een groot opvangcentrum gebracht. Ik dacht dat ik alle ellende in Afghanistan achter me gelaten had en in Nederland een nieuw leven kon beginnen, maar nu begon de ellende pas goed. Angst bleef me parten spelen. Ik durfde mijn kinderen geen moment alleen te laten, bang als ik was dat er iets met hen zou gebeuren. Ik vertrouwde niemand meer. We moesten verhuizen naar een ander opvangcentrum en daar kreeg ik een ongeluk met de fiets. Ik brak mijn been en mijn andere been schoot uit de kom. Het opvangcentrum was helemaal buiten het dorp en ik kon geen kant op. Ik voelde me alsof ik in een gevangenis zat en raakte depressief. Een Nederlandse vrouw bezocht trouw het centrum. Ze durfde zelfs op bezoek te gaan bij een Afghaanse jongen met open TB, die de andere asielzoekers links lieten liggen uit angst voor besmetting. Ik was benieuwd wat haar bewoog en raakte met haar in gesprek over Jezus. Ze gaf me ook een Bijbel in het Dari. Door haar verhalen heb ik gedacht: ik wil deze Jezus wel eens uitproberen om te zien of hij echt leeft.

Daarvoor bad ik een vrijwel onmogelijk gebed: ik wilde overgeplaatst worden naar een asielzoekerscentrum bij de Beverwijkse bazaar, zodat we tenminste iets te doen zouden hebben. We hadden om overplaatsing gevraagd, maar ze hadden ons uitgelachen. Je hebt als asielzoeker geen invloed op waar je woont en als je overgeplaatst wordt, hoor je dat vaak pas een dag van te voren. Nadat ik gebeden had, kwam er een medewerker van het centrum naar me toe met de mededeling: “Normaal doen we dit nooit, maar we willen je nu alvast laten weten dat je over twee weken wordt overgeplaatst naar een nieuw asielzoekerscentrum bij Beverwijk.” Toen ik dat hoorde, dacht ik: als deze Jezus zo snel gebeden beantwoordt, dan wil ik hem volgen!

Waarom gebeurt dit, God?

Ik ben toen ook naar de kerk gegaan. Van de diensten snapte ik niet veel, maar ik voelde me veilig in de kerk. Bij het lied ‘Abba, Vader’ was ik innerlijk zo geraakt dat ik moest huilen, alhoewel ik helemaal niet wist waar het lied over ging. Toch werd mijn persoonlijke situatie er al maar slechter op. Ik kreeg het zoveelste interview met de immigratie- en naturalisatiedienst, waarin ze me allerlei moeilijke vragen stelden. Het was alsof ik voor een vijandig tribunaal was geleid, waarvoor ik verantwoording moest afleggen. Ik was duizenden kilometers ver gevlucht uit een verschrikkelijke situatie en daarna in een vrij land gekomen, maar nu kreeg ik dezelfde vragen die ik ook had gekregen van degenen die mijn huis hadden overvallen in Afghanistan. Mijn gevoel van veiligheid was weg. Ik begon de gebeurtenissen uit Afghanistan opnieuw te beleven.

Toen ben ik noodgedwongen opgenomen om geholpen te worden aan mijn traumaklachten. Door de medicijnen die ik kreeg, wist ik niet meer wie ik was en waar ik was. Ik dacht zelfs dat mijn kinderen niet van mij waren en kende mijn man niet meer. Ik leefde in het verleden. Die verschrikkelijke nacht werd herhaald in mijn dromen. Uiteindelijk kreeg ik een therapie waardoor ik toch over het verleden kon praten. Ik heb daar als vorm van troost twee keer alle Psalmen overgeschreven. Soms kwam ik bij Psalmen waarin David vraagt: waarom gebeurt dit, God? Ik schreef dat wel honderd keer op. David de psalmist was de enige die me troostte.

Jezus heeft een liefde aan mij getoond die geen man me ooit kon laten zien.

Als ik mijn eerste jaren in Nederland heel kort samen zou moeten vatten, dan ben ik vijf jaar lang aan het huilen geweest. De enige mensen die niet moe van mij werden waren broeders en zusters uit de kerk. Door hun liefde heb ik de liefde van Jezus leren kennen. Ik ging iedere week naar een Bijbelstudieavond, waar ik heel veel aan gehad heb. Als ik daar was wilde ik nooit meer weg, zo veilig voelde ik me daar. Ik heb daar voor het eerst ervaren wat liefde is en dat ik werkelijk waarde heb. Eindelijk was ik op een plek waar mensen niet zeiden dat ik gek was, of waardeloos. Ik hoorde daar dat ik wel wat waard was en dat ik een dochter mocht zijn van de Allerhoogste.

Ik kon mijn last allen kwijt door te vergeven

Tijdens deze Bijbelstudieavonden heb ik geleerd dat ik moest vergeven, omdat ik daardoor zelf vergeven en hersteld zou worden. Dat was een lange strijd, want nadat ik daar vergeven had, kwamen de bittere gevoelens thuis weer terug en dacht ik weer: waarom moest mij dit overkomen? Ik leerde door de bijbelteksten dat vergeving vooral voor mijzelf bedoeld was. Al die mannen die mij kwaad hadden gedaan leefden allang hun eigen leven weer, maar ik liep met een last rond en die kon ik alleen kwijt door hen te vergeven.

Wat voor mij nog moeilijker was dan vergeving schenken was vergeving vragen. Ik had namelijk door al mijn pijn en de woede van mijn man mezelf ook afgereageerd op mijn kinderen. Ik heb hun vaak onterecht geslagen. In mijn cultuur is het onvoorstelbaar dat een ouder vergeving zou vragen voor zoiets, maar ik heb er maanden over gedaan om dat toch te doen, omdat ik hun het leven zuur gemaakt had. Doordat ik hun om vergeving vroeg, zijn ze heel open geworden naar mij toe. Christus heeft me geleerd om vergeving te vragen en vergeving te schenken. Hij is zo volmaakt, ik ben gewoon verliefd op hem geworden! Jezus heeft een liefde aan mij getoond die geen man me ooit kon laten zien.