noorIk dacht dat ik de beste moslima was. Ik bad, ik vastte, ik hield van de koran, en ik deed dat alles graag. Ik deed alles om God te behagen. Dat was toen ik in Marokko woonde, tot een paar jaar geleden. Toen ik in Nederland kwam, ontmoette ik voor het eerst christenen. Ik had altijd geleerd dat christenen slechte mensen zijn, ketters, mensen die geen geloof hebben en die moslims haten. Maar bij de christenen die ik ontmoette zag ik liefde. Ik begreep het niet. Ik had geleerd dat deze mensen naar de hel gaan en ik naar de hemel, maar ik dacht: Dat kan niet.

Door deze christenen werd ik uitgenodigd om mee te gaan naar de kerk, en daar gebeurde iets wat mij heel diep raakte. Toen de dominee ging bidden, bad hij namelijk om Gods zegen voor moslims. Hij bad voor mijn volk. Ik had altijd begrepen dat christenen moslims haten, maar hier ervaarde ik juist liefde voor moslims. En niet één keer, maar in verschillende kerkdiensten merkte ik dat er werd gebeden voor moslims. Dat was het tegenovergestelde van wat ik in Marokko had meegemaakt. In de moskee had ik vaak gehoord dat de imam de christenen en het westen vervloekte. Vooral in de laatste tien dagen van de ramadan was dat sterk. Als de imam vervloekingen uitsprak, werd ik altijd erg verdrietig. Ik wist nooit waarom het was dat ik daarover moest huilen. Nu begrijp ik dat wel. God heeft me aangesproken door een tekst uit de Bijbel waar staat: ‘God heeft je uitverkoren van vóór het begin van de wereld’. Ik denk dat ik verdrietig werd van die vloeken omdat God toen al met me bezig was.

‘Ik ben de Heer, je God, ik neem je bij je rechterhand’

Hier in Nederland begonnen christenvrienden me steeds meer uit te leggen over Jezus. Mijn hart zei tegen me dat het waar is, maar mijn denken zei nog dat het niet waar is. Ik wist: als ik toegeef, dan is alles in mijn leven tot nu toe fout geweest. Ik werd er gek van. Ik vroeg aan God: ‘Ik wil de goede weg weten. Help mij!’ God heeft in die tijd verschillende keren tot me gesproken door dromen. Eén droom kwam op het moment dat ik serieuze doodsbedreigingen kreeg van een man. Ik droomde toen dat ik naar mijn familie in Marokko wilde gaan. Mijn moeder riep me uit Marokko, met uitgestrekte handen naar mij toe. Maar in mijn droom werd ik tot drie keer toe tegengehouden door mijn christelijke leraar die mij ook riep, en zei dat ik eerst nog een cadeau uit zijn hand moest aanpakken. Ik zei steeds: nee, ik wil eerst naar mijn moeder. Op dat moment werd er op mijn deur geklopt en ontwaakte ik uit mijn droom. Mijn leraar stond voor de deur, met een cadeau – een schilderij. Hij vroeg me: Wil je het hebben, of niet? Ik antwoordde hem dat ik het graag wilde hebben. Het was een schilderij van de uitgestrekte hand van een drenkeling die stevig vastgegrepen werd door een doorboorde hand, de hand van Jezus. Daarbij stond deze Bijbeltekst (Jesaja 41:13): ‘Want ik ben de Heer, je God, ik neem je bij je rechterhand en zeg je: Wees niet bang, ik zal je helpen.’ Mijn leraar had dat schilderij eigenlijk voor iemand anders bestemd, maar had diezelfde ochtend sterke aandrang gekregen om het aan mij te geven. Dit was Gods boodschap voor mij, net op dat moment dat ik Hem zo nodig had. Op dat moment besloot ik dat ik me wilde laten dopen. Ik dacht: ik zie de waarheid, en die wil ik ook volgen.

De problemen waar ik toen midden in zat zijn voorbij. Ik denk er niet meer aan. Mijn hart is veranderd. Vroeger haatte ik mensen, als ze mij iets aandeden. Ik kon misschien wel niets terugdoen tegen ze, maar ik kon ze wel haten. Nu merk ik bij mezelf dat ik de kracht heb om mensen meteen te vergeven. Bij de christenen met wie ik omga, vind ik het ook zo mooi dat ze zeggen: Ik heb verkeerde dingen gedaan. Dat was ik niet gewend. In de wereld waarin ik opgroeide zei men dat nooit. Want dan wordt je afgewezen. Zelf durfde ik ook nooit sorry te zeggen tegen anderen, ook al deed ik verkeerde dingen. Dat bewaarde ik voor mezelf, want anders zou men het contact met mij verbreken. Nu kost het me geen moeite meer om sorry te zeggen. Ik heb ontdekt dat Jezus voor mijn zonden heeft betaald. Vroeger was ik altijd onzeker of God wel of niet van mij houdt. Nu weet ik: God houdt van mij, ook al heb ik veel zonden gedaan. Bij Hem ervaar ik veel rust, meer dan bij wie dan ook, zelfs meer dan bij mijn familie. Ik ben God zo dankbaar dat hij mij veranderd heeft!