saraToen mijn man Amir naar de kerk begon te gaan was ik daar niet blij mee. Ik zag dat er iets veranderd was bij hem en dacht: Allah, help me, hij gaat bij me weg. In de islam bid je niet dat iemands ogen gesloten worden voor iets maar ik deed dat wel. Ik bad gewoon: “God, alsjeblieft, als hij in de kerk is, laat hem dan niks horen en niks zien, want ik wil niet dat hij verandert.” Maar de God van Amir was de levende God en die van mij niet, dus Amir veranderde wel. Elke woensdag als hij terug kwam vertelde hij me alles over de avond, maar ik sloot me ervoor af. Mooi voor Amir, dacht ik, maar zelf wilde ik dit echt niet. Toch hoorde ik door de verhalen van Amir het woord van God, en dat begon in mij te werken zonder dat ik het in de gaten had.

Op een avond kwam Amir thuis met de vraag: “Ze zoeken in het asielzoekerscentrum een plek om een huiskerk te starten, zou dat bij ons kunnen?” Ik dacht meteen: dat is een prima idee en een goede gelegenheid om ze te kunnen vertellen dat hun God de ware niet is. Van onze buurman had ik ooit het evangelie van Lukas gekregen. Ik had het gelezen, maar het boek daarna weggegooid. Mijn beeld van God was altijd dat God niet te begrijpen is. Alles wat met God te maken had, was moeilijk. Dit evangelie van Lukas was veel te gemakkelijk, dus dat kon God niet zijn! Maar nu die groep bij ons aan huis zou komen, wilde ik natuurlijk wel goed voorbereid zijn. Daarom begon ik opnieuw in de Bijbel te lezen. Dit keer zag ik het allemaal heel anders. De woorden die ik las begonnen me te raken. Iedere avond dat de groep bij ons thuis bij elkaar kwam, had ik discussies met ze: de islam zegt dit, jullie zeggen dat. Maar toen ik dieper begon te kijken, kwam ik zoveel liefde tegen in de Bijbel. Die woorden over liefde waren de sleutel van mijn hart. Ik was nooit een fanatieke moslim geweest, maar had wel altijd moeite gedaan om dicht bij God te komen. Ik bad een paar keer per dag, deed altijd mee met de ramadan, ook al was mijn familie ertegen dat ik dat deed, want ik was mager en moest goed eten, vonden ze. Alles wat me dichter bij God kon brengen, greep ik aan.

Op een avond vroeg ik aan de huiskerkleider: “Wat is het verschil tussen het christelijk geloof en andere godsdiensten?” Hij zei: “In andere godsdiensten moeten mensen heel veel moeite doen om dicht bij God te komen, maar in het christelijk geloof ontdek je dat God naar jou toe gekomen is om je te dienen, je te helpen en je liefde te geven.” Dat was het antwoord op mijn jarenlange vraag. Ik had zo’n verlangen om dicht bij God te komen, maar wist niet hoe ik tot hem kon naderen. De huiskerkleider vroeg: “Durf je God toe te laten, durf je hem dichter bij te laten komen?” Ik dacht: oké, ik ga het proberen, ik ga mijn hart openzetten om alleen maar te zien: wie is hij? Is het waar of niet waar? Ze baden voor mij en ik opende mijn hart voor God.

Jezus stak zijn hand naar mij
uit en zei: “Kom maar, ik help je, ik red je.”

Die nacht kreeg ik een droom. Nu moet je weten dat ik in die tijd erg ziek was. Ik was naar Europa gekomen met een zware depressie en slikte antidepressiva. Het enige wat ik wilde was rust. Die avond droomde ik dat ik in de duisternis liep. Er kwam iets groots op me af, groter dan ik, heel donker en zwaar. Ik wist niet wat het was, maar ik wist dat het een levensgroot probleem was. Dat kon ik niet aan, ik had genoeg narigheid gehad! Ik rende weg en riep “Oh God, nee, dat kan niet, niet nog een probleem erbij! Ik kan het niet meer dragen, dit is genoeg.” Ik deed mijn handen voor mijn ogen om niet naar het probleem te hoeven kijken. Plotseling zag ik een muur van licht tussen mij en het probleem in staan. Het probleem kwam niet langer naar mij toe, dus ik keek naar de muur om te ontdekken wie het was die mij beschermde. Ik moest omhoog kijken, want de muur was heel hoog. Toen zag ik Jezus. Hij stak zijn hand naar mij uit en zei: “Kom maar, ik help je, ik red je.” En ik heb die hand van Jezus vastgepakt. Ik legde mijn hand in zijn hand. Die nacht gaf ik mijn hart aan Jezus.

Hoe lang en hoe vaak ik ook bad, mijn zonden bleven.

Tijdens de Ramadan is er een nacht waarin de moslims herdenken dat de Koran aan Mohammed gegeven is. Als je in deze nacht duizend keer bidt, gaan al je zonden weg. Je bidt dus eigenlijk de hele nacht door. Ik deed dit ieder jaar, want ik wilde dat mijn zonden van me afgenomen werden. Ik wilde zo graag een heilig mens voor God zijn. Niet dat ik zulke grote zonden had, het waren kleine dingen die ik verkeerd deed; maar toch drukte het zwaar op mij. Mijn verlangen naar een leven zonder zonden was zo groot, dat ik tijdens zo’n nacht gewoon in slaap ben gevallen terwijl ik in gebogen houding stond te bidden. Maar hoe lang en hoe vaak ik ook bad, mijn zonden bleven. Dit was niet de oplossing. Iemand die zelf geen zonde gedaan heeft, zou mijn zonden van me af moeten nemen. Toen ik Jezus gevonden had, leerde ik dat hij geen zonden gedaan heeft en mijn zonden gedragen heeft. Daardoor voelde ik me een stuk lichter. Dit was waar ik al die jaren naar op zoek was geweest: iemand die me verloste van de lasten die ik al mijn hele leven met me meedroeg.