Nooit zekerheid

Ik ben in 1974 geboren in Irak, in een sjiitische familie. In mijn familie werd ik al op jonge leeftijd geleerd over de islam. Ik leerde de Koran lezen. Toen ik vijf was leerde ik al bidden. Ik heb gestudeerd en kwam daarna bij mijn vader in de goudhandel. Mijn leven was goed, maar ik was altijd op zoek. Op zoek naar geluk. Ik probeerde blijdschap te vinden door een andere auto te kopen of door op reis te gaan. Maar tegelijk was ik ook altijd bang: waar ga ik heen als ik doodga, vroeg ik me af. Ik kan geld geven aan de armen, ik kan goede dingen doen zodat mijn weegschaal voor God goed genoeg is, maar zekerheid daarover kon ik nooit vinden.

Na 2003 kwam er meer vrijheid voor sjiieten in Irak. Mijn vader, die een soort imam was, verlangde toen van mij dat ik mee ging doen met de rituelen van asjoera, de rituelen waarbij we onszelf met zwaarden snijden om de martelaarsdood van imam Hoessein te herdenken. We doen dat als sjiieten, omdat we geloven dat hoe meer bloed je geeft, hoe dichter je bij Allah bent. Bij die gebeurtenis heb ik mezelf zo verwond, dat ik zes dagen in het ziekenhuis kwam te liggen.

‘Wij hoeven ons bloed niet te vergieten’

Nadat dit was gebeurd werd ik opgezocht door mijn beste vriend. Deze vriend was christen. Mijn houding naar deze vriend was altijd: Je bent een goed mens, maar wat jammer dat je geen moslim bent, want dan kom je in jenna, in het paradijs. Deze vriend kwam mij opzoeken, en hij vroeg mij: Waarom doen jullie dit? Waarom laten jullie jezelf zo bloeden? Ik legde uit dat we zo dichterbij God wilden komen. Maar hij begon mij, voor het eerst, te vertellen over Jezus. Hij vertelde mij: Wij hoeven ons bloed niet te vergieten. God is zelf naar ons toegekomen op aarde, en Hij heeft zelf zijn bloed voor ons gegeven. Dat klonk mij als onzin in de oren. God is geest, dus het is belachelijk om te zeggen dat God zijn bloed heeft gegeven. Mijn vriend kwam vaker met mij praten over Jezus en zijn wonderen. Uit de Koran kende ik Isa wel en wist ik wel dat hij wonderen heeft gedaan. Maar ik verzette mij tegen alle andere dingen die mijn vriend vertelde over Jezus. Toch wilde ik wel met hem blijven praten hierover, want ik bleef hopen dat ik hem ertoe kon brengen om moslim te worden.

Licht om mij heen

Op een dag vroeg hij of hij mij een indjiel mocht geven. Hij gaf mij het evangelie dat Matteüs heeft opgeschreven, een boekje van 30 bladzijden. Ik vond dat maar raar, omdat ik dacht dat dit kleine boekje de hele Bijbel was van de christenen. Ik nam het boekje van hem aan en wilde het gaan lezen om te gaan kijken welke fouten ik kon vinden in de indjiel. Het verhaal begon met de geboorte van Jezus. Ik vond geen belangrijke verschillen met het verhaal uit de Koran. Toen kwam ik bij hoofdstuk 5 en 6 van Matteüs, bij de woorden die Jezus heeft gesproken in de Bergrede. Toen ik dat las begon er een licht om mij heen te stralen. Ik las dat Jezus zei: ‘vroeger werd gezegd ‘oog om oog en tand om tand’, maar ik zeg jullie je niet te verzetten tegen wie je kwaad doet. Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen’. Je moet beseffen dat er in Irak voortdurend oorlog was in die dagen. Een boodschap van vergeving was onvoorstelbaar. Ik las ook dat Jezus zegt: ‘Niet alleen als je iemand dood zal God je veroordelen, maar ook als je iets slechts zegt over een ander.’ Ik wist dat dit echte woorden van God waren, omdat alleen God begrijpt wat er in mijn hart is.

Vier jaar lang gebeden

Ik werd diep geraakt door wat ik las. Ik bleef de hele nacht wakker. Pas toen de avondklok was afgelopen, ’s ochtends om zes uur, ging ik zo snel mogelijk naar mijn vriend toe omdat ik hem moest vertellen wat er was gebeurd. ‘Ik heb vier jaar lang voor je gebeden’, vertelde hij me vol blijdschap. Die dag heb ik heel veel gehuild bij hem (bij ons is er veel schaamte als je als man huilt, dat mag niet).

‘Iedereen gaat dood. Het belangrijkste is of we eeuwig leven hebben gevonden.’

Ik heb nog niet verteld dat ik een vrouw had en twee kinderen. Mijn vriend nodigde mij uit om bij hem in de indjiel te komen lezen, en ik vroeg mijn vrouw om mee te gaan. Maar ik had haar nog niet verteld dat ik christen was geworden. We bestudeerden de Bijbel, en een volgende keer keken we naar een film over het lijden van Jezus. Twee dagen later vertelde mijn vrouw me dat ze in een droom iemand had gezien met wonden in zijn polsen. Toen heb ik haar verteld dat ik christen was geworden. Ook zij heeft toen haar hart aan de Heer gegeven.

Onder grote druk

Een tijdje later kwam mijn familie erachter dat we Jezus waren gaan volgen. Dat gaf grote problemen. Met mijn vrouw ben ik vijf dagen vastgehouden in het huis van mijn familie, en werden we onder grote druk gezet en geslagen. Na vijf dagen lieten ze mijn vrouw en mij gaan, maar de kinderen hielden ze achter. Toen we met de auto onderweg waren, werden we gevolgd door mijn broer en zwager. Ze hebben ons toen onder vuur genomen, en daarbij hebben ze mijn vrouw doodgeschoten. Zelf raakte ik gewond en kwam in het ziekenhuis. Later vond ik uit dat ook het huis en de winkel van mijn christelijke vriend zijn afgebrand. Ik ben toen weggevlucht. Via Noord-Irak ben ik in Nederland terechtgekomen.

Een jaar later ben ik gelukkig herenigd met mijn kinderen. Ik heb ook een nieuwe vrouw gekregen, die zelf ook tien jaar geleden tot geloof is gekomen. Ik heb pijn om mijn verlies. Ik houd van mijn familie, ik hield van mijn vader, die pas is overleden. Mijn eerste vrouw is nu bij de Heer, en daar is het beter. Iedereen gaat dood. Het belangrijkste is of we eeuwig leven hebben gevonden.

Vroeger was ik op zoek naar blijdschap. Ondanks alle moeilijkheden die ik heb meegemaakt, kan ik nu zeggen dat ik blijdschap heb gevonden.